
via here.
I wish I would look at the stars more often. It would remind me of the things I love, believe and cherish. It would calm me down.
Ik was een jaar of zes, acht misschien. Mijn vader en ik gingen 's avonds laat naar de sterrenwacht, ergens op het platteland. Om sterren te kijken natuurlijk, maar eerst woonden we een lezing bij. Het ging over de vraag of er leven was in het heelal. Uiteraard, zo luidde de stelling, want stel je eens het volgende voor: er zijn net zoveel planeten als er zand is op aarde. Er is veel zand. Dus waarom zou er niet op een van die zandkorrels leven zijn?
In de pauze zijn we er tussen uit geglipt. We kwamen aan bij de koepel in het weiland. Binnen stonden twee mannen, wachtend op de groep die later zou komen. Of wij alvast even mochten kijken. Natuurlijk, dat kon. Een van de mannen vroeg aan mijn vader of ik een oogafwijking had. Ik snapte de vraag niet, mijn vader zei nee. De bril zou later komen. We hadden geluk die avond. Het was helder, de maan was verstopt maar zou later te voorschijn komen. Ik keek door de reusachtige telescoop. Nog nooit heb ik zoveel sterren bij elkaar gezien. Zo veel lichtpuntjes aan de hemel die daar gewoon hingen. Zo stil. Zo kalm. Alsof ze daar altijd al gestaan hadden en nooit weg zouden gaan. Ook zag ik jupiter, die grote zware planeet van gas. Oranje, wit kleurig. En die kleuren waren duidelijk te zien. Jupiter heeft ringen, als ik het me goed herinner. En manen. Die avond zagen we er vier. Twee aan iedere kant van de planeet, keurig in lijn met elkaar. Onbedoelde perfectie.
Het was koud. Mijn warme adem werd wit in de winternacht. Mijn vader, met zijn boten van schoenen, gleed uit over het trapje toen hij naar buiten liep. Opeens lag hij op de trap, gekke papa. We hadden ook een gekke auto. Zo'n oude toyota carina. En toen we terugreden waren de ruiten beslagen. Aan de onderkant van het raam werd de weg het eerst zichtbaar en dus reed mijn gekke vader mijn zijn hoofd schuin en laag.
Ik denk wel eens terug aan die avond.




















